Ik hoor Arnhem niet meer ademen
Ik reis naar Arnhem. De trein snijdt over de rails. De tijd trekt als een koude mist door me heen. Dertig jaar geleden maakte ik dezelfde rit. Nu is alles harder. Scherper. Onverbiddelijker. Het licht in de coupé is fel en meedogenloos. De schermen tonen exacte, kille informatie. Vertrektijden. Spoornummers. Aansluitingen. Alles klopt. Niets raakt. Waar ooit beleving zat, heerst nu organisatie. Dan slaat het verlangen toe. Zwaar. Pijnlijk. Het drukt me neer en laat niet los. Ik zie de oude treinen weer voor me: vier zitjes als kleine compartimenten, tegenover en naast elkaar. Groene kunstlederen banken, hard, met hoge leuningen waarin je je hoofd kon laten rusten. Arnhem nadert. Het station rijst op als een ijzige kathedraal van glas en staal. Op het perron hangt een grauwe stilte. De lucht weegt zwaar. Zwarte wachtruimtes staren me aan als lege ogen. Voor me opent zich het trappengat, een donkere mond die reizigers inslikt. Ik blijf staan. Even. Mijn gedachten gaan terug naar de...